Toespraak van Ruben Donvil op 5 augustus 2012 in Meensel-Kiezegem

Monseigneur,
Mevrouw de burgemeester,
Mijnheer de vertegenwoordiger van de minister van landsverdediging,
Mijnheer de Nationale voorzitter van de Politieke Gevangenen en Rechthebbenden van België,
Mijnheer de gewestelijke voorzitter,
Dames en heren,

Oorlog verdeelt en oorlog brengt samen. Oorlogen ontstaan door tegengestelde visies en escaleren vaak uit kleine, op het eerste zicht onbelangrijke gebeurtenissen. Voor de Eerste Wereldoorlog beschouwen velen de aanslag op het aartshertogelijk paar in Sarajevo als het begin, terwijl het water al veel langer aan de rand van de emmer stond. Het interbellum begon als een poging tot verzoening van de strijdende partijen, maar maakte dat eigenlijk meteen onmogelijk door Duitsland in het Verdrag van Versailles van 1919 een buitenproportionele straf te geven. Dit ‘Diktat von Versailles’ dompelde de Weimarrepubliek onder in een zware economische crisis. Angst voor het opkomende communisme dreef de bevolking in de armen van extreemrechts. De NSDAP van Hitler gaf de schuld voor al wat fout liep aan de democratie, het communisme, het kapitalisme en de joden. Zulke standpunten konden alleen maar begrip vinden bij de Duitse bevolking wanneer ze goed aangebracht werden en er al een voedingsbodem voor bestond. Dat is nu eenmaal de werkwijze van een populistische partij.


Ook in België werkten deze ideeën in op een deel van de bevolking dat zich verongelijkt voelde. Dit alles uitte zich eveneens op politiek vlak door onder andere het ontstaan van extreemrechtse partijen en bewegingen. Toen de oorlog uitbrak, vonden zij vrij gemakkelijk steun bij het Duitse bewind. Voor deze laatste was het uiteraard essentieel om snel voet aan de politieke wal te krijgen in België. De Belgische koning capituleerde, maar zijn regering trok zich terug om te reorganiseren, net als een deel van het leger.
Hier zorgde de bezetting voor groeiende onrust en onvrede. Terwijl het overgrote deel van de Belgen enkel de economische crisissituatie van de oorlog probeerde te trotseren en zo onopvallend mogelijk leefde, verenigden heel wat niet-gevluchte militairen zich in het Geheim Leger en voerden acties uit om de nieuwe overheersende macht aan het wankelen te brengen. Ook een klein percentage burgers, dat het niet langer konden aanzien om hun neutraal land te zien overgaan in een autoritaire politiestaat, zocht toenadering tot elkaar in milities en partizanengroeperingen. Ik herhaal even de woorden waar ik daarstraks mee begon: oorlog brengt ook samen.
Het is, ongeacht de gevoeligheden die bestaan, toch belangrijk om als historicus in gedachten te houden dat iedere betrokkene voor zijn zaak en gedachtegoed vocht. Een oorlog kent geen overwinnaars of verliezers, maar maakt enkel slachtoffers. Een oorlog dwingt mensen vaak ook om verwoestende keuzes te maken. Het is dus niet zo vreemd dat men zich toen achter de ene of de andere partij schaarde op basis van informatie waarover men op dat moment beschikte. Toeschouwers uit latere tijden laten zich wel vaker verleiden tot zo een teleologische visie op het verleden. Teleologie is het principe dat het heden verklaart door resultaten van historische gebeurtenissen als logisch en vanzelfsprekend te beschouwen. Dat is volgens mij echter geen goede filosofie voor dit onderwerp. Men moet kijken hoe feiten op een bepaald moment ervaren werden, zonder de afloop ervan in het achterhoofd te houden. Dat geeft namelijk een vertekend beeld van de toenmalige situatie.

Ik wil het me nog niet proberen voor te stellen dat de 18-jarigen van tegenwoordig naar een oorlog zouden gestuurd worden. Toen ik aan deze leeftijd geschiedenis gaf op school, viel het me al op. Zij zitten nog met computerspelletjes en uitgaan in hun hoofd. Weinigen zijn met de problemen van politiek of oorlog bezig, omdat die begrippen in ons land erg abstract en een ver van ons bed show geworden zijn. Vanuit mijn onderzoek naar Oost-Brabant tijdens de eerste oorlogsmaand van de Eerste Wereldoorlog, augustus 1914, is het mij duidelijk geworden dat het toen anders was. Naast de dienstplichtigen – nog zo iets dat niet langer bestaat – beantwoordden vele vrijwilligers de oproep om het eigen land met de wapens te gaan verdedigen. Zij zetten hun leven op het spel voor de levens van anderen: voor burgers en voor wapenbroeders. Het ging hier over een altruïsme dat zo goed als uitgestorven is. Meermaals vond ik documenten van jonge Belgische mannen die het als hun plicht beschouwden om als militair de wapens op te nemen. Dat betekent niet dat ze niet bang waren. Zeker niet. Maar ze trachtten die angst wel een plaats te geven binnen hun opdracht. Dat is iets wat hen sierde. Het wekt bij mij op zijn minst bewondering op dat zij af en toe konden standhouden tegen Duitse cavalerietroepen die met de blanke sabel in hun richting chargeerden. Deze jonge Belgen zaten dan wel verscholen, maar zagen een woeste vijand op een galopperend paard met veel kabaal op hen af komen. Stel het u eens voor.
Begrippen als ‘vaderlandsliefde’ en ‘vrijheid’ bestaan in deze tijden op een heel andere manier dan in de jaren ’14-’18 en de jaren 1940. Het is alvast in vele gevallen minder uitgesproken. Toen engageerden moedige jonge vrouwen en mannen zich om voor hun goede zaak uit te komen met gevaar voor hun eigen leven. Meensel-Kiezegem, waar heel wat inwoners tot politieke gevangenen gemaakt werden, kende daarin zijn deel.
Tegenwoordig wordt vaderlandsliefde op een heel andere manier beleefd en lijkt het haast verloren te gaan door de toenemende regionalisering enerzijds en de europeanisering en globalisering anderzijds. Het bedreigde vrijheidsgevoel is sinds het einde van de Koude Oorlog eveneens weinig aan de orde in dit land en gelukkig maar. Jongeren hebben daardoor weinig voeling met het eigen verleden en dat stoot de oudere bevolking soms tegen de borst. Maar als enkel dit gebrek aan engagement bij de jeugd de prijs is die we moeten betalen voor een Europese Unie zonder oorlog, denk ik dat we dat met zijn allen wel door de vingers kunnen zien.
Dank u.

Een reactie plaatsen