Het Dodelijke Schot

Op 30 juli in Meensel-Kiezegem en zijn fatale gevolgen – Door gemeentesecretaris René De Keyzer, eerder gepubliceerd in de Reensteen.

De twee dorpen Meensel en Kiezegem werden in 1824 samengevoegd. Meensel was altijd meer op Tienen gericht, Kiezegem op Leuven. In Kiezegem stonden enkele grote boerderijen en ging de politieke voorkeur eerder naar de liberalen. Meensel koos overwegend katholiek, kleine boeren huurden van rijke families als die van notaris Mertens, zijn schoonfamilie Verheyden en Baudouin, de eigenaar van de suikerfabriek in Tienen. De grote boeren zoals Merckx en Broos van Kiezegem, met hun vele kinderen, waren tijdens de Tweede Wereldoorlog de collaboratie gunstig gezind; de familie Broos eerder om ideologische redenen, de familie Merckx was veeleer praktisch en commercieel ingesteld en volgens sommige bronnen vrij machtig in bezettingskringen. Eigenlijk was dit een “zachte” vorm van collaboratie; beide grote gezinnen lieten iedereen verder met rust. Misschien was hun aanwezigheid zelfs een goede zaak voor het dorp…

In Kiezegem woonden minder “witten” dan in Meensel, de families Pypen en Vander Meeren duidelijk uitgezonderd. Er waren ook wat familievetes, zoals tussen Broos en Vander Meeren.

In Meensel was weliswaar een N.K.B. -kern (de verzetsgroep Nationale Koninklijke Beweging) opgericht, aangevoerd door de hovenier van notaris Victor Mertens en door onderwijzer Prosper Natens. Ook Maurice Veuchelen, de latere veldwachter, en Oscar Beddegenoots behoorden tot de meer actieve verzetslui. Maar globaal gezien kan men zeggen dat de houding van het verzet in beide dorpen vrij rustig was en zich in wezen beperkte tot het in het geheim onderdak geven en voeden van passanten (o.a. ontsnapte Russische krijgsgevangenen) die zich verborgen in bossen en/of boerderijen. Kortom, Meensel-Kiezegem was een, gezien de oorlogsomstandigheden, vreedzaam Hagelands dorp tot die noodlottige dertigste juli 1944.

Op de warme zondag van 30 juli 1944 was het kermis in buurdorp Attenrode-Wever. Na de mis in Kiezegem sprak Gaston Merckx, 24 jaar oud en voormalig lid van de Vlaamse Wacht (een Vlaamse militaire eenheid onder bevel van de Duitsers), onder de lindeboom op het dorpsplein af met enkele vrienden om naar de kermis te gaan. Ze moesten hiervoor een drie à vier kilometer te voet afleggen, vooral door holle, verlaten, opgaande en langs de kanten beboste veldwegen. Op het hoogste punt, waar de weg van Meensel naar Binkom deze van Kiezegem naar Attenrode-Wever dwarst, komen Gaston en zijn drie Vlaamsgezinde vrienden, vanuit Meensel twee vreemde mannen en een meisje (de “verloofde” van één van beiden) tegemoet. Het blijken achteraf leden te zijn van de weerstandsgroep “Gewapende Partizanen”. Ze zijn die dag van het Leuvense naar Meensel gefietst, waar ze in de dorpskern nog rustig een ijsje hebben gegeten. 
Waarom deden ze die verplaatsing? Daar zijn een paar verklaringen voor te vinden. In het Leuvense was het in die dagen nogal onveilig geworden, als gevolg van overmoedige verzetsdaden en de Duitse represailles hierop. Mogelijk is ook dat een bezoek aan het Hageland, dat bekend stond als een voorraadschuur van zwarthandel, goede patriotten kon aanleveren. Er wordt ook beweerd dat de drie een dropping plaats zochten voor wapens. De geallieerden waren immers op 6 juni in Normandië geland en de bevrijding zou niet lang meer op zich laten wachten.
Feit is dat de twee groepen – en persoonlijk denk ik eerder toevallig- mekaar kruisten op een afgelegen, verlaten plaats op de grens van het dorp en dat weerstander Frans Vranckx (op enkele dagen na 24 jaar oud ) er Gaston Merckx dood schoot, ofschoon de andere weerstander naar het schijnt aandrong om niet te schieten. Frans, Belgisch soldaat in 1940, was beslist geen koorknaap en een harde verzetsstrijder. Zijn vader vond trouwens de dood bij de Duitse bombardementen in 1940 op de omgeving van het Leuvens station; zelf stierf hij in 1999.

Wat er op die plaats in de velden gebeurde, zullen we nooit met honderd procent zekerheid weten. Ik heb zelf ooit Willy Cockx geïnterviewd, nu nog in leven en een zeer aimabele man. Hij was de toen achttienjarige vriend van Gaston Merckx, hij was lid van de Vrijwillige Arbeidsdienst voor Vlaanderen en hij was erbij die dag.
Hij vertelde me tijdens ons gesprek dat de “witten” de groep “Merckx” deden stoppen om te vragen wat hun identiteit was. Haast onmiddellijk liep Merckx’ vriend Marcel Peters weg. Gaston deed, hoewel gewapend, hetzelfde, maar hij werd door Frans Vranckx met enkele goed gemikte schoten doorheen een stroschoof, direct geveld.
De weerstanders moeten zeker geweten hebben dat de familie Merckx collaboreerde; volgens Willy Cockx hadden de “witten” trouwens weinig of geen interesse voor de vrienden van Gaston. Was het groepje zogenaamde “zwarten” toevallig in de omgeving van een locatie aanbeland, uitgekozen voor latere wapendropping? Was het een vergeldingsactie na een tip vanuit het dorp waar men de afspraak onder de lindeboom afgeluisterd had? Was het iets anders?
Zelf houd ik het bij een reeks toevalligheden, versterkt door de overmoed van de nakende bevrijding, het mooie zondagse weer, het onversaagde karakter van de schutter, zijn verlangen om een nog “betere” weerstander te zijn, en het vrouwelijke gezelschap.

Het werd helaas het begin van de apocalyps voor het dorp. Direct na het schot brak er een verschrikkelijk onweer los, het juiste symbool voor en het eerste teken van een nieuw “Grieks” drama. 
Moeder Merckx hoorde het nieuws van de moord op haar zoon en ging met paard en kar, geassisteerd door haar kinderen – ze had zes zonen en twee dochters – het lijk van Gaston dat in ’t veld lag, ophalen. Hij werd op 2 augustus in Kiezegem begraven en op zijn doodsprentje stonden de onheilspellende woorden : “Eens toch zal de eeuwige rechter mij wreken; die mij vermoordden zullen hun straf niet ontgaan”.

DE OPGEBAARDE GASTON MERCKX.

De dorpelingen waren niet blij, niemand kende de daders. Moeder Clementine Merckx sprak openlijk van “100 gijzelaars” en “werken in de zoutmijnen”. Naar verluidt was zij een bazig en eigenzinnig type en had vader Remi, een brave man en broer van Edouard, grootvader van later wielerfenomeen Eddy Merckx, in het gezin weinig in de pap te brokken. Er wordt beweerd dat, ook zonder de moord op Gaston Merckx, in het Hageland toch een ander (of hetzelfde) “Meensel-Kiezegem” zou plaatsgevonden hebben. 
In ieder geval, in plaats van de gebruikelijke Duitse wraakneming, komt in Meensel-Kiezegem een zuivering zonder voorgaande op gang; er is immers geen tijd meer te verliezen!

Wat was er dan aan de hand? De hete zomer van 1944 muntte uit door een spiraal van geweld in ’t Hageland en in Limburg. Zo werden in die weken in het Leuvense een dertigtal “collaborateurs” neergeschoten. Ook waren er, onder het mom van verzetsstrijders, dievenbendes actief. De Duitsers wilden eveneens de streek zuiveren omwille van de nakende doortocht van het aftrekkend Duitse leger en de Gestapo legde zich vanaf 20 mei op het Hageland toe, wat eind juli tussen Leuven en Tienen resulteerde in onder meer 22 aanhoudingen. 
Vanaf augustus 1944 neemt de Zivil Verwaltung onder leiding van generaal Jungclaus, de touwtjes stevig in handen. De snelheid waarmee in Meensel-Kiezegem is gereageerd, wijst er op dat bij de Duitsers (en hun medestanders) al plannen en namenlijsten bestonden. Informatie die ze onder andere verkregen van verklikte en aangehouden partizanen (zoals Maurice Andries van Tildonk) die in Meensel-Kiezegem overnacht hadden. Ook de eind 1943 aangehouden Frans Vleughels uit Herent was een grote informant van de Gestapo; hij werd vooral gedreven door eigen gewin. Het dodelijke schot in Meensel-Kiezegem werd dus ook aangegrepen als de directe aanleiding tot zuivering van “terroristen” en werkweigeraars; op 23 augustus kwam trouwens het aangrenzende Molenbeek-Wersbeek aan de beurt.

In de prille morgen van 1 augustus streek een detachement van het Veiligheidcorps van de “De Vlag” in Meensel-Kiezegem neer. Ze werden geassisteerd door enkele Duitsers en gemaskerden. Doelbewust ging men naar zeven woningen in Meensel. Oscar Beddegenoots en Petrus Vander Meeren werden ter plaatse neergeschoten, August Craeninckx vluchtend op weg naar de kerkingang.

DRIE VAN DE SLACHTOFFERS VAN 11 AUGUSTUS 1944, VAN LINKS NAAR RECHTS: PETRUS VANDER MEEREN, OSCAR BEDDEGENOOTS EN AUGUST CRAENINCKX.
DRIE VAN DE SLACHTOFFERS VAN 11 AUGUSTUS 1944, VAN LINKS NAAR RECHTS: PETRUS VANDER MEEREN, OSCAR BEDDEGENOOTS EN AUGUST CRAENINCKX.

Vijftien gevangenen, onder wie Prosper Natens, onderwijzer Ferdinand Duerinckx, vier vrouwen en een meisje (zij werd dezelfde dag nog vrijgelaten), werden naar het Gestapo-kantoor in Leuven afgevoerd. Drie dagen later kwamen ze terecht in de gevangenis van Sint-Gillis in Brussel en ze werden ondervraagd door de Gestapo aan de Louizalaan. 
Tien dagen later, op 11 augustus, vertrokken vanaf 3 u in de vroege morgen vanuit de Leuvense Sint-Maartenskazerne leden van het Veiligheidscorps (Dietse Militie en Zwarte Brigade), de Fabriekswacht, de Vlaamse Wacht, Vlaamse SS-officieren (o.a. Tony Van Dijck), de Sicherheitsdienst, de Gestapo en Duitse soldaten samen met vijftig Feldgendarmen. De Vlamingen kwamen vooral uit het Leuvense, Mechelen en Antwerpen. De Duitse SS-officier Höfle en de Vlaamse SS-er Robert Verbelen uit Herent hadden de leiding. 
Deze 350 man zetten Meensel-Kiezegem af. In omzeggens alle huizen vielen ze binnen; de hoeve van Jules Schotsmans werd in brand gestoken met de boer erin. Ze pakten alle mannen tussen 16 en 65 jaar op en brachten ze naar de meisjesschool in Meensel. Het bijeen drijven gebeurde zo systematisch, dat zelfs VNV-leden hun gedwongen opwachting in de school maakten. Zij werden natuurlijk vrij gelaten. 
In de school moesten de dorpelingen – sommigen na een afranseling- voor twee gemaskerde mannen, bijna zeker de broers Marcel en Albert Merckx, verschijnen. Aan ieder van hen was een weerstander geketend, onder wie Prosper Natens, duidelijk al gemarteld. Deze weerstanders moesten “ja” knikken indien de aanhouding van wie voor hen verscheen zogezegd noodzakelijk bleek. Vanzelfsprekend hadden ze dan geen andere keuze. En zoals wel vaker waren de aanwezige Duitsers nog het “hoffelijkst”.
Duidelijk is dat de represailles voor de moord op “een kleine vis” als Gaston buitensporig waren. De moord op de burgemeester van Charleroi bestraften de Duitsers met ‘maar’ vijftien gedode gijzelaars en doorgaans rekenden ze ook ‘maar’ vijf gijzelaars aan voor één dode Duitser. 
En toen begon de lijdensweg.

Van Leuven gingen de 76 gijzelaars na een paar dagen naar Sint-Gillis. Cynisch was wel dat de eigenlijke verzetsstrijders van Meensel-Kiezegem voor het merendeel al vóór 11 augustus het dorp verlaten hadden. Bovendien werden de gijzelaars die men toch langer wou laten ondervragen door de Gestapo, in Leuven gehouden
De dus eigenlijk meestal onschuldige anderen werden –in de haast van het ontruimen- door de Duitsers op 31 augustus en/of 1 september 1944 vanuit Schaarbeek naar Neuengamme en zijn buitenkampen gedeporteerd. Zo werden 71 gijzelaars, onder wie ook enkelen uit dorpen rond Meensel-Kiezegem, via Nederland naar Duitsland vervoerd. Op 4 september – de dag van de bevrijding van het Hageland – werden zeven dorpsgenoten onder wie de 16-jarige broers Craeninckx, uit de gevangenis van Leuven ontslagen. Op 3 september kwamen er nog dertien vrij, dankzij het heldhaftige gedrag van Louis Verheggen, de machinist van de zogenaamde spooktrein, die tijdens het transport van de gevangenen naar het concentratiekamp, na allerlei vertragingsmanoeuvres op Belgisch grondgebied zijn trein naar Brussel liet weerkeren en daarmee vele levens redde.

De mannen uit Meensel-Kiezegem kwamen dus overwegend terecht in Neuengamme en zijn tachtig buitenkampen waaronder het meer bekende Bergen-Belsen, waar ook een oom van Eddy Merckx zou bezwijken. De omstandigheden in de kampen waren traumatisch; bijna 1 op de 2 gevangenen kwamen tijdens de oorlog om. Bijzonder tragisch en ontroerend is het onderschepte briefje dat onderwijzer Ferdinand Duerinckx uit de trein gooide en dat zijn woonst via de post bereikte: “Op weg naar Duitsland. Wij zijn allen nog gezond en hopen op een spoedige thuisreis. Te bestellen bij (naam en adres van zijn op dat moment hoogzwangere vrouw)”.
De meeste Meensel-Kiezegemnaars stierven in Neuengamme. Het was najaar, het begin van een zeer strenge winter. De wind gierde vanuit de Baltische en de Oostzee ongenadig over het vlakke (heide)land. De gevangenen moesten met weinig slaap en eten werken in de baksteenfabriek, tankgrachten maken en aan het Dove-Elbe-kanaal graven. Zo werd de veldwachter van Meensel-Kiezegem gedood, omdat het niet snel genoeg ging. Deze mensen kwamen uit een warme omgeving, waar ze – meestal boeren zijnde – voldoende voedsel hadden. Nu moesten ze met omzeggens niets een letterlijk en figuurlijk koude en onmenselijke omgeving trotseren. De oudste gijzelaar stierf al op 4 november 1944 als eerste; het was landbouwer Frans Wouters.
Tot overmaat van ramp bezweken er in mei 1945 nog gevangenen bij de ontruiming van de kampen, de SS wilde geen hinderlijke getuigen achterlaten! Intens tragisch en bijna onbegrijpelijk is dat Britse jachtvliegtuigen op 3 mei twee schepen met zo’n 10.500 overlevenden van de kampen tot zinken brachten in de baai van Lübeck. Zevenduizend ongelukkigen kwamen om, onder wie ook Meensel-Kiezegemnaar Alfons Van Wanghe.

De bijzonder tragische balans voor Meensel-Kiezegem is dat 55 inwoners (48 uit Meensel, 7 uit Kiezegem) de dood vonden, 51 van hen in Duitsland. Daarbij vergeten we nog Gaston Merckx en Louis Pittomvils, ook zij waren slachtoffers en hadden hun wrede lot zeker niet verdiend. Van de 71 weggevoerden kwamen er slechts 8 terug naar huis. Eén van hen, een vroegere werkweigeraar, leeft nu nog. Het gaat om Louis Clinckx (°1924) uit Tielt. Hij belandde als dwangarbeider in een werkkamp, in de buurt van Leipzig. Hij werd bevrijd door de Russen. Op 5 juni 1945 arriveerde Louis per trein in Tienen, nam de tram tot Tielt-statie en werd overgelukkig, op een pony gezeten, naar zijn ouderlijk huis in Kraasbeek gevoerd. Terugkeer uit de hel!

TERUGGEKEERDE JOZEF CLAES, ÉÉN VAN DE ACHT WEGGEVOERDEN DIE IN 1945 BEHOUDEN TERUGKEERDEN. DE JONGE VROUW IS ZIJN ECHTGENOTE.
TERUGGEKEERDE JOZEF CLAES, ÉÉN VAN DE ACHT WEGGEVOERDEN DIE IN 1945 BEHOUDEN TERUGKEERDEN. DE JONGE VROUW IS ZIJN ECHTGENOTE.

En hoe ging het verder, nu de vrede er was ?
Het einde van de oorlog bracht in Meensel-Kiezegem geen echte vreugde. Men moest verder in stil verdriet en stilaan wennen aan de afwezigheid van wie nooit meer zou weerkeren. In het dorp van ongeveer 850 inwoners bij het begin van de oorlog, waren nu 57 mannen dood. Er bleven 33 weduwen achter en 95 kinderen zonder vader. In 2016 kan je nog steeds in de lokale demografische statistieken het ontbreken van een bepaalde leeftijdsklasse merken.
Ook burgemeester Remi Morren liet het leven in Duitsland. Maar pechvogel bij uitstek was de Canadese majoor Edward Blenkinsop. Deze door de wol geverfde vliegenier die overal in de wereld zijn strepen verdiende, overleefde op 28 april 1944 een crash in Assent, leefde toevallig ondergedoken in Meensel-Kiezegem tijdens de represailles en stierf op 5 januari 1945 in Bergen-Belsen. Ex-jachtpiloot Peter Celis schreef in 2011 een prachtige biografie over Edward Blenkinsop, getiteld Van de Belgische ondergrondse tot Bergen-Belsen, uitgegeven bij Epo.
En kan iemand het leed van vader Natens, die vier zonen en een schoonzoon verloor, nog maar omschrijven?

DE CANADESE PILOOT, MAJOOR EDWARD BLENKINSOP. HIJ OVERLEEFDE OP 28 APRIL 1944 DE CRASH IN ASSENT EN STIERF OP 5 JANUARI 1945 IN BERGEN-BELSEN.
DE CANADESE PILOOT, MAJOOR EDWARD BLENKINSOP. HIJ OVERLEEFDE OP 28 APRIL 1944 DE CRASH IN ASSENT EN STIERF OP 5 JANUARI 1945 IN BERGEN-BELSEN.

Tot mei 1946 kwamen er in Meensel-Kiezegem Rode Kruis-berichten toe over dorpsgenoten die niet meer zouden weerkeren. Marcel Loddewijckx, één van de acht mannen die het wel haalden, getuigde in de film Meensel-Kiezegem 1944 die in 1997 door onder anderen Octaaf Duerinckx (zoon van de ook omgekomen Ferdinand), gerealiseerd werd: “Ik durfde niet zeggen wat ik wist, toen ik de vrouwen, kinderen, bij mijn thuiskomst op mijn geleeg zag staan!”
Vanzelfsprekend moeten daders berecht worden, maar kan men van de onzalige repressieperiode beweren dat recht geschiedde en dat op termijn inkeer en toenadering zouden zegevieren? In mei 1946 was het grootste proces dat ooit in Leuven plaatsvond op één week tijd achter de rug en later deed justitie geen moeite meer om de volledige waarheid te achterhalen; er waren natuurlijk ook valse getuigenissen. De latere veldwachter Maurice Veuchelen verklaarde ooit: “Onder de slachtoffers waren niet zo veel echte weerstanders; deze waren zeker na de razzia van 1 augustus het dorp uit. De meesten waren dorpsgenoten die wat brood of onderdak gaven aan mensen van het verzet, zonder te denken aan de gevolgen. Eigenlijk had het allemaal weinig te maken met wit-zwart.” 
De families Merckx en Broos werden zwaar gestraft, ook financieel. Bij hun aanhouding werden moeder en jongste dochter Merckx overigens mishandeld en de hoeve werd geplunderd. Drie broers Merckx die bij verstek ter dood veroordeeld werden, waren gevlucht; van twee van hen is nadien zo goed als niets meer vernomen. Het gaat om de broers die als “gemaskerden” bij de razzia’s aanwezig waren. De ouders Merckx kregen levenslang, net als vader Broos, ondanks getuigenissen ten gunste. Het verstrijken van de tijd bracht wat mildheid en de gestraften konden de gevangenis verlaten.

Op 26 augustus 1945(!) werd Louis Pittomvils, een getuige van de verdediging, maar geen “zwarte”, door plaatselijke “weerstanders” vermoord; volgens sommigen dachten ze dat hij één van de broers Merckx onderdak verleende. Zijn hoeve werd in brand gestoken; zijn vrouw kon zich op het nippertje bevrijden. De daders zullen hiervoor nooit gestraft worden. 
Alle families die min of meer aan de collaboratie gelinkt werden, verlieten het dorp.
Van de daders van het fatale schot geen woord. Het verzet sprak hier nooit over; er viel ook weinig eer te rapen. Wanneer in 1953 enkele lichamen van slachtoffers uit Duitsland gerepatrieerd en in het dorp begraven worden, gaan de wonden opnieuw open.
Pas sinds de reeks televisieprogramma’s in de tachtiger jaren van de vorige eeuw van onderzoeksjournalist Maurice De Wilde over de collaboratie, weten degenen die een inspanning (willen) doen, wie de dader(s) waren. Toch hoor je nu nog de meest bizarre verhalen over dit drama dat bijna mythische proporties toebedeeld krijgt en zichzelf voedt.
Nochtans is, volgens mijn bescheiden mening, de waarheid vrij eenvoudig en vreemd aan alle grote theorieën die dikwijls gedebiteerd worden. Een hoogst ongelukkige samenloop van omstandigheden leidde tot het schot en de dood van zovelen. De slachtoffers waren vooral onschuldige mensen, in beide groepen, die omwille van onooglijke politieke en persoonlijke twisten, het toeval, het moorddadig KZ-regime,… in een duivels scenario terechtkwamen. 
Gelukkig wordt door de recentelijk weer ééngemaakte herdenkingsvereniging Nationale Confederatie van Politieke Gevangenen en Rechthebbenden van België (NCPGR) Meensel-Kiezegem ’44 en het gemeentebestuur gewerkt aan het in ere houden van de herdenkingen (erekerkhof, monumenten in Meensel en in Kiezegem). Het opzet is om in de pastorie van Meensel, rechtover de school waar zo veel onheil geschiedde, een modern museum uit te bouwen.
Met de Duitse vrienden uit Neuengamme zijn stevige relaties met jaarlijkse bezoeken opgebouwd; ook met het Nederlandse Putte waar zich een analoog drama voordeed.
Mijn hoop is dat dit artikel mee kan leiden tot nederigheid, relativeringszin en tot enige bedachtzaamheid. Een eerder onbezonnen daad kan, als het tegen zit, verschrikkelijke gevolgen hebben en dus ook een Hagelands lieflijk dorp voor altijd verwonden.

Een reactie plaatsen