Het verhaal van Marcel Loddewijckx

Hier lees je het verhaal van Marcel Loddewijckx, die op 4 november 1997 na een slepende ziekte stierf. Deze moedige getuige werd opgepakt op 11 augustus 1944. Na vele omzwervingen in Duitsland keerde hij weer op 6 mei 1945. Hij huwde met Blondine Sevenants en zij hadden een dochter: Magda (+2006). Zij huwde met François Janssens en met haar zoon David speelde ze mee in de film “Meensel-Kiezegem’44”. Kleinzoon David vertolkte de rol van grootvader Marcel.

Over de oorlogsjaren:
Er was wel weerstand was hier, maar ik zou eerder zeggen zowat “plaatsjesweerstand”, om na de oorlog een plaatsje te krijgen. Wat is er gebeurd als de “zwarten” hier gekomen zijn? Toen hadden die Weerstanders toch in actie moeten komen. Ze hadden toch die “zwarten” moeten doodschieten. Dan was er een Weerstand geweest. Maar waar was die toen? Ikzelf had zeven revolvers. Mijn gebuur is er zes komen halen. Dat was misschien mijn geluk, want anders had ik mij verzet en schoot ik die “zwarte” dood die bij ons moeder stond. Die gebuur zei, toen hij die revolvers kwam halen: “Ja, we moeten hem morgen hebben”. Ik zeg zijn naam niet. Hij zal het wel lezen en dan denken dat ik het niet durf zeggen.

In Meensel waren er niet veel Duitsgezinden. Marcel Merckx die was gemaskerd, Maurice ook. Op de elfde augustus, Gukke van Goids (Goidsenhoven) die is nog bij ons thuis geweest de dag ervoor, waren wij, zoals gewoonlijk aan het dorsen (De “Loddewijkxen” werkten met een dorsmachine) en die bleef de hele dag op het “geleeg” bij ons. Ik had toen mijn verstand meer moeten gebruiken en me afvragen wat die daar de hele dag kwam doen, of er ‘s anderendaags niets zou gebeuren. Wat kwam die doen? Ik had echt meer moeten nadenken, want dat was toch een “zwarte”, die kwam “controle” doen op ons “geleeg”. Ik had in feite moeten stoppen en zeggen dat de molen kapot was en dan had ik de mensen kunnen verwittigen dat ze moesten maken dat ze wegkwamen, want dat er iets te gebeuren stond. Ik had daar echter geen “spier” gedacht op: Ik zou mijn eigen toch maar zo niet laten gevangen nemen, en mijn moeder en vader ook niet. Het moest echter gebeuren: Het lijden moest gebeuren in Meensel. Anders hadden ze hier nooit geweten dat het echt oorlog was.

De eerste augustus
Op 1 augustus heb ik zelf niets gezien. Eerder was die Amerikaan, die Canadees, bij ons thuis geweest voor een dag of acht. Daarna heeft onze Albert die piloot overgedragen aan de anderen. Ik had die man opgevangen in een stromijt bij Frans Coeckelberghs. Daar had hij zich verborgen. Ik ben daar “kloekmoedig” naartoe gegaan en dacht eerst nog dat het een deserteur was. Ik bracht hem bij ons thuis en daar heeft hij een dag of twee op het karhuis gezeten. Onze Albert gaf hem eten. Omdat die jongens niet lang op dezelfde plaats mochten blijven, hebben ze hem afgehaald en naar Julleke Schotsmans gebracht en dan weer later naar Armand Pijpen.

Zonder die razzia’s zouden de mensen hier niet geweten hebben dat er echt oorlog was. Ze hadden het hier nog zo kwaad niet. We moesten wel inleveren bij Broos. Die had de opdracht een aantal kilo graan voor de gemeente te leveren. Hij was oorlogsburgemeester en bepaalde hoeveel. Onze pa die moest 12 zakken koren geven met een huishouden van zeven, acht grote mensen op een klein boerderijtje. Ze hadden zo hun kilo’s graan die ze moesten doorgeven. Daar moesten de mensjes zich voor forceren. Die leverden dus zo mee in, in de plaats van Broos en Rumme Pastrel (Remi Merckx) want die moesten niets afgeven. Al hadden die mensen het niet zo breed, toch hadden ze hier nog genoeg. De hele oorlog lang! Hier kwamen zelfs mensen van de stad eten bijhalen.

De elfde augustus
Wij sliepen thuis boven de paardenstal, ik en mijn twee broers. We hoorden rond vier uur in de morgen auto’s rijden. In die tijd reden er al niet zoveel wagens, laat staan ‘s morgensvroeg. Ik zeg: “Zo vroeg al, er scheelt iets”. Ik hoorde een auto stoppen bij de burgemeester Morren en dan hoorde ik niks meer. Ik sta op, trek broek en hemd aan en ga tot aan de haag voor het huis. Daar zie ik iemand met de kar van Kiezegem komen. De voerder stond rechtop. Toen ik zag dat het Mil Siel (Pasteyns) was, ging ik er
naartoe. Hij was bij de smid in St.-Joris-Winge al zeer vroeg die kar gaan halen. Er moest nieuw ijzer op de wielen gelegd worden. Toen ik hem vroeg of hij iets speciaal gezien had, vliegt er daar opeens een zwarte van de kar recht, met een “mitraljet” op mij gericht en ik was gevangen. Ze zegden niet waarom: al wat in Meensel “man” was moest weg, anders niks. Ik ben dan te voet naar het Gemeentehuis moeten gaan en op de speelplaats van de jongensschool stonden veel “zwarten” met een wapen op ons gericht als “grote” mannen, want zij waren gewapend en wij niet.

Waarom ze mij nu precies oppakten? Omdat mijn broer partizaan was, denk ik. Ik ben verraden. Waarom pakten ze die andere mensen op? Omdat ze een stuk brood aan de partizanen gaven of ze te slapen legden. Daar zijn ze voor opgepakt. Daarom moesten de mensen naar Duitsland, naar de concentratiekampen en sterven. Op een verschrikkelijke manier! Ondenkbaar! Daarom zijn die gepakt en meegenomen.

Toen ze met ons naar de meisjesschool in Meensel gekomen waren hebben ze ons later op “camions” geladen en naar Leuven gevoerd. Mij hebben ze daar niet onderhoord en ik kreeg geen slaag. Léonke van Dielekes (Vuchelen) wél, dat heb ik gehoord. Dat was uit woede, uit sadisme. Dat waren daar echte sadisten. Ikzelf had wel verwacht dat ze na de eerste augustus zouden terugkomen, maar niet zo rap. Misschien moest dat wel zo rap: de Amerikanen naderden en misschien hadden ze anders geen kans meer gehad. Ze hebben die kans genomen. Dat was zeker de laatste razzia.
In de gevangenis

Mij hebben ze van het klein naar het groot “prison” in Leuven gevoerd en later naar Sint-Gillis. Ze hadden ons nog geen vraag gesteld. In Sint-Gillis ben ik in dezelfde cel terecht gekomen waar meester Duerinckx zat. Die was al opgepakt op 1 augustus. Die is van daaruit ook met ons mee vertrokken naar
Neuengamme. Van meester Duerinckx heb ik vernomen dat hij zich verzet heeft om zijn vrouw te beschermen. Die was toen “op haar laatste”.

In Brussel hebben ze me wel bij de Gestapo gebracht, in de Louizalaan op de hoogste verdieping. Ze stelden geen vraag, maar een Belg in burger rammelde mij af. Hij klopte met een lange matrak, zo de lengte van een koestaart, met een bolleke ijzer aan. Daar kreeg ik zo een veertien striemen van op mijn rug en telkens “piste” het bloed daar uit. Het was nog houdbaar als hij niet op dezelfde plaats terugsloeg. Dat was erg. Ik moest er een brief tekenen om in Breendonk gefusilleerd te worden. Ik was dus ter dood veroordeeld. Daar hebben ze echter de kans niet toe gehad. Ge kunt wel denken wat voor een handtekening ik daaronder zette: ik moest in feite mijn eigen doodvonnis tekenen.

Naar Duitsland
Wij zijn met de laatste trein naar Duitsland gevoerd. Eerst had Marcel Merckx ons daar alles afgenomen. Op de volgende zaten mijn vader en mijn moeder en die zijn er niet meer geraakt. Op die spooktrein zaten nog zeker dertig mensen die ter dood waren veroordeeld. Mijn ouders zijn bevrijd op de trein. Mijn broer Albert is later dood gebleven door een vliegende bom. Albert was thuis de jongste. In december ging hij naar Linkhout en in het huizeke waar hij en Isidoor Bruers zaten viel die bom. Isidoor was op slag
dood en Albert is vier dagen later in Diest gestorven.

Op die trein met mijn ouders viel ons moeder om. Ze was ziek en kon niet blijven staan. Van een vrouw van Meensel kreeg ze toen stampen op haar lijf om ze terug recht te krijgen. Toen ik thuis kwam van Duitsland had ze nog altijd plekken op haar benen. Zoiets mag ook eens gezegd worden. Ik haat die “stampende vrouw” nog. Dat ze daar allemaal het fijne moesten van weten.

We zijn in Neuengamme van de trein geranseld en dan zijn we tussen een haag SS-ers het kamp ingejaagd zoals varkens. We moesten in de wasserij onze klederen uittrekken. Ik durfde mijn hemd niet uitdoen, want dat was in het bloed vast gedroogd. Een SS-er trok het zo van mijn lijf en vroeg waarvan ik die wonden had. Een medegevangene van Meensel zei: “Dat is van matrakslagen die hij gehad heeft”, waarop die SS-er antwoordde: “Die zal hij dan wel verdiend hebben”. Langs de haarkapper passeren en dan wat vodden krijgen: een vest en een broek en zo kwamen we dan in blok negen terecht. Na acht dagen in Neuengamme werden wij overgeplaatst naar Hamburg. Op 17 oktober werd ik daar ziek en ik moest naar het revier (de ziekenbarak) omdat ik 40 graden koorts had. Eén van die dokters daar was van Mechelen, ook een gevangene. De dag nadat ik werd opgenomen in die ziekenbarak hebben de Amerikanen die gebombardeerd. In de namiddag van die 18de oktober zijn we daar met 18 man levend uitgeraakt. Zo groot als die barak was, was dat één vuur. Toen ik buiten kwam, was er juist een bom voor het revier gevallen en in die krater moesten wij gaan zitten. Niemand kon zeggen waar en hoe wij eruit geraakt zijn. Jef Pijpen van Kiezegem, die was er ook bij en een jongen uit Winge. Dan hebben ze ons terug naar Neuengamme gevoerd. Van die anderen uit het revier heb ik later niemand meer teruggezien.

Toen ze me in Neuengamme onderzochten en zagen dat ik nog zoveel koorts had, moest ik weer naar het revier. We moesten eerst gewassen worden, want door dat bombardement zagen we zo zwart als kolen. Ze gaven ons een douche en zetten de kraan met heet water open. Dat deed ons deugd. Van zo een tien minuutjes onder dat warme water knapten we op. Maar toen hebben ze ons zo bloot buiten gezet tot ‘s morgensvroeg, onafgedroogd. Dan onderzochten ze ons weer en ik had nog meer koorts. De dag daarop had ik een “waterfleures” (longontsteking). Ik had al een zware griep en dan dat nog. Ze hebben me daar ook geopereerd aan de lies. Ik had daar een bol van wel een vuist dik. Die zakte helemaal uit. Ze sneden die eruit en lieten de wonde open. Ze hebben die nooit toegemaakt. Zo is dat vuil daar verder
uitgekomen. Eénentwintig dagen moest ik in het revier blijven en dan moest ik op transport. Die wonde was nog zo groot open als op de eerste dag. Die is pas dichtgegroeid toen ik terug in België was.

In Neuengamme
De tijd dat we in Neuengamme waren, zo tot half september, moesten wij mee aan de steenbakkerij werken. De stof, kleverige klei, moesten we van de treinen of de boten afladen en met van die zware karretjes naar boven duwen. In Hamburg voerden ze ons met de boot langs de Dove-Elbe. Daar moesten wij grachten graven voor de verbetering van de grond. We maakten van die dijken en die pompten ze onder water voor de grondverbetering. Daar moesten we dan ook barakken opzetten, zo een soort van noodwoningen voor de mensen die daar gebombardeerd waren en geen huis meer hadden. Het was zeer zwaar werk, want dat was van die vochtige kleefgrond, die ge met uw handen van de “schoep” moest afkrabben om hem op de karretjes te krijgen. Twaalf uur per dag moesten we werken met tachtig grammen brood. Eén kilo brood voor twaalf man.’s Avonds kregen we dan een halve kilo “patatten” en al eens een schep soep. Dat was ons maat. Maar wat voor soep was ‘t? Daar waren bietkolen in, zo een “handvolletje” gerst, gemalen gerst en soms ook ongemalen, die dan “gespukt” (opgezwollen) was en daar gekookt water over.

De bewakers waren er ook niet te zacht. Een kameraad had zijn bed niet goed opgemaakt en die kreeg daar zeven matrakslagen voor. Dat zegt al hoe we behandeld werden. Als ge even niet deed wat ze veronderstelden, klopten ze erop.

Die bewakers waren meestal ook gevangenen, meestal Duitsers. Dat waren kapo’s. Ik heb daar ook een voorarbeider gekend, een “Duerinckx”, ene van ons. Dat was de beste mens die wij in het kamp hadden. Die kreeg als voorarbeider dubbel zoveel als wij en die gaf zelfs zijn rantsoen brood weg, zodat hij voor zichzelf geen rantsoen over had. Dat is de beste mens die ik in heel mijn leven heb gekend. Zo een voorarbeider is feitelijk de ploegbaas. Die moesten zelf niet werken, maar toezicht houden of wij wel werkten. Meester Duerinckx hadden wij zelf mogen kiezen. Het eerste wat hij altijd zei als we op het werk kwamen was, dat wij ons bloed moesten sparen, dat we geen teveel hadden. “Houdt uw broek aan het wiggelen” zei hij altijd. Dat wou zeggen dat we de schijn moesten houden van te werken, voor het geval dat men ons in het oog hield. We moesten alleen van hem zorgen dat er ‘s avonds iets gedaan was. Zolang er geen anderen in de buurt waren konden wij het rustig aan doen. ‘s Avonds was het steeds hetzelfde: hij gaf zijn dubbele portie weg aan zijn kameraden, aan de mensen van Meensel-Kiezegem. Dat was Ferdinand Duerinckx. Normaal waren die kapo’s of voorarbeiders niet graag gezien, omdat ze ook nog sloegen op de gevangenen. Hij deed net het tegenovergestelde. Het is spijtig dat er niet meer mensen over zijn van toen. Moest er ene dat horen, die toen bij ons in Hamburg zat, hij zou zeggen: “Dat is de zuivere waarheid”.

In Neuengamme heb ik op Nieuwjaarsdag 1945 Marcel Trompet, burgemeester Remi Morren en Jokke Thielens nog gezien. Dat was alles.

Naar Ravensbrück
Toen de Duitsers begonnen gewaar te worden dat ze gingen verliezen, moesten ze van die politieke gevangenen zien af te geraken. Het waren hinderlijke getuigen. Dat ik erdoor gekomen ben is een kwestie van geluk. Ik zal er een voorbeeld van geven. We werden gestraft omdat er een rantsoen brood was gepikt. Het vroor zo een graad of vier en de sneeuw lag een vijf centimeter dik. “Goed, zegden ze, niemand heeft dat dus gepikt? Kleedt u maar allemaal uit!”. Zeshonderd man, allemaal naakt, de poort open en buiten voor het appèl. Dat was op 2 januari 1945. ‘s Avonds hadden ze ons daar gezet en ‘s morgens stonden er nog 18 man recht. De anderen waren allemaal bevroren, allemaal dood. Toen, tijdens die nacht, heb ik zo een achttienmaal beloofd te voet naar Scherpenheuvel te gaan. Ik had geen kou ‘s morgens. Ik heb daar niks van overgehouden, buiten misschien wat “reumatis”. Dat “waterfleures”, dat was al van eerder. Ik heb maar één long meer, maar dat was ook door vroegere feiten. Ik had dus geen kou en die zeventien anderen, die nog leefden, waren wel bevroren. Ik heb van die anderen achteraf ook niemand meer gezien. Ik ben veertien dagen in het “schoonblok”, het herstelblok, gemoeten. Ze deden daar alles om maar mensen kapot te maken: Oorlog is om mensen te doden en lost niks op.

De 17de maart zijn we van Neuengamme overgebracht naar Brünswick (Braunschweig). Daar hebben we dan begin april een groot bombardement van de Amerikanen meegemaakt. Eén grote bom die viel maakte daar twee blokken plat. In één daarvan zat Frie (Godefridus) Goedhuys. Ik kan niet zeggen of hij in dat bombardement gebleven is of gestorven is van de tyfus. Want die ziekte had hij. Hij hield altijd zijn handen aan zijn buik en had een formidabele “afgang”.

Wat later zijn we naar Ravensbrück vertrokken met de trein. Dat is de ergste verplaatsing die ik heb meegemaakt. Ze hebben ons zaterdagnamiddag of -avond opgeladen en de week erna zijn we pas in Ravensbrück terecht gekomen.

Dat is de ergste verplaatsing die ik heb meegemaakt.  Ze hebben ons zaterdagnamiddag of -avond opgeladen en de week erna zijn we pas in Ravensbrück terecht gekomen.  Wij hebben zeven dagen op die trein gestaan, zeven dagen tegen elkander “geprest”, zonder te eten, bijna zonder kleren, zonder drinken, niks. Zo zijn we dan in Ravensbrück gearriveerd.  Vanop de trein zagen we een hoop beenderen liggen.  We zegden nog tegen mekaar: “Hier moet het goed zijn van eten, zie eens wat een hoop beenderen.” Toen we echter die hoop naderden zagen we dat het lijken waren, die verscheurd en gedeeltelijk opgegeten waren door honden. We zijn daar naar een wasserij moeten gaan. Daar stond op de muur: “Streng verboten wasser zu trinken”. Velen hadden dat niet gelezen en dronken maar lustig door. Maar dat water was besmet door tyfus en vier dagen erna waren die mensen dood.  Mijn drie kameraden en ik, wij dronken regenwater. Die doden hebben ze dan uit de barakken gehaald en op een vrachtwagen gegooid. Die was op een moment zo vol geladen dat hij met zijn wiel in de grond zakte. Toen moesten ze die “bijna-geraamten” er weer afsmijten.  Bij het afgooien ervan knotsten die op elkaar als houten blokken.  Plots zagen we daar nog een levende tussen steken en die mens zag ons met zo een koppel ogen aan. Dat kan ik nu nog niet vergeten. Die ogen zie ik nu nog voor mij. Dat was onhoudbaar. Er hebben er ook nog verschillende zichzelf verhangen om van het lijden af te zijn.

Ons kamp in Ravensbrück was naast het gekende  vrouwenkamp. Wat ze daar met die vrouwen deden daar ga ik niet over spreken. Goddank dat ik geen vrouw was, want wat  daar uitgestoken is door die honden met die vrouwen.

Dat waren zo van die Duitse schepers, politiehonden. Die vrouwen die daar gevangen zaten hebben zelf alles niet mogen zien. Die in dat deel van hun kamp kwamen, waar wij ze konden zien, waren veroordeeld. Aan onze kant stond daar enkel een prikkeldraad. We moesten het bijna zien van de Duitsers. Ik zal maar één ding zeggen: daar zijn borsten levend afgebeten door die honden en de rest ook, letterlijk, levend. Die vrouwen waren niet dood, helemaal niet. Hun bewaaksters en bewakers waren echte SS-sadisten.

Eindelijk bevrijd

Het was half april toen we daar vertrokken.  Van Meensel heb ik daar niemand meer gezien. We waren vrij om te vertrekken of niet. Het moest toen allemaal te voet. Die daar bleven, zijn door de Russen gevangen of bevrijd, dat weet ik niet juist, want wij waren weg. Bij mij was toen nog Maurice Geys uit Leuven en twee Hollanders. We zijn in Malchov gekomen en vandaar gingen we verder als we de Russische kanonnen hoorden. Toen trokken we in de richting van het Amerikaanse front met die Duitsers bij ons. Juist voor een stad zijn we dan bevrijd, of gevangen, door de Russen. Die Duitsers zijn toen wel lopen gegaan, want die werden liever gepakt door de Amerikanen. Tijdens hun vlucht werden ze echter doodgeschoten door die Russen!

Toen de Russen ons dus bevrijd hadden, ging ik naar een Russische schildwacht en vroeg hem eten. Het was een geweldige vent met wel vier, vijf revolvers, een mitraillette en handgranaten. Hij wijst op mijn magere arm en vraagt wat dat is. Ik zei: “Kein essen.”  “Gaat Klauen,” zegt hij, “essen genoeg”. Hij wees naar een boerderij. Daar hebben we dan gegeten. Daarna hebben de Russen ons naar een kamp gevoerd. Daar zaten wel 5 à 6.000 man. Toen we in dat kamp bijeen gejaagd werden, zei er een Rus tegen mij: “U bent voor immer gevangene.” We waren dus in feite in de handen van de Russen gevallen. Op zekere dag, na het appèl vertrokken ze met ons in de richting van de zonsopkomst. Dat was dus naar het oosten. Een dag erna zijn we gaan lopen met een man of zes. We zijn dan op een boerderijtje terecht gekomen. De boer had zich daar verscholen. Pas twee dagen later kwam hij uit zijn schuilplaats. Ondertussen had dat boerinneke ons te eten gegeven en ook wat kleren. Toen de eigenaar onze situatie kende, raadde hij ons aan de Amerikaanse “Kommandantur” te gaan opzoeken. De plaats waar wij zaten viel toen nog onder de Russen. Twee krijgsgevangenen, die ook bij ons waren, vertrokken op een avond met de lijst van onze namen, geboorteplaatsen en immatriculatienummers.  Vier dagen later komen die mannen weer op de boerderij aan met voor elk van ons een formulier. Daarmee gingen we dan naar het Russische hoofdkwartier. Daar schreef men ons in, gaf ons wat te eten en de dag erna brachten ze ons over naar Ellrich. Dat was Amerikaans “grondgebied” in die periode.  Toen waren we pas echt bevrijd. Dat was op 20 mei 1945.  Daar verbleven we vier dagen. Ik ben daar naar het plaatselijke concentratiekamp gaan zien. Daar kwam ik in een plaats van zo een vier op vijf meter. Daar was een ijzeren baar van muur tot muur bevestigd met vleeshaken aan. Die waren vol bloed en ook de muren zaten vol spatten. Ik denk dat ze daar de mensen aan hingen. Ellrich was een heel brutaal kamp. Later heb ik die verhalen ook voor waar gehoord.  In dat kamp werd oorlogsmateriaal gemaakt. René Decoster en ik zijn van daar vertrokken. Eerst brachten ze ons met nog een derde naar een soort van gekkenhuis en zo verder naar het station. Vandaar hebben ze ons gerepatrieerd naar Herentals. In alle dagbladen stond het en ook op de radio hadden ze gezegd dat er een trein met politieke gevangenen ging afkomen. Toen de trein stopte stonden daar duizenden mensen. Uit die trein kwamen dan drie politieke gevangenen en dat waren Maurice Geys, René Decoster van Lubbeek Sint-Bernard en ik. Dat was op de 24 ste mei.

Naar Meensel

Van Herentals reisden we verder met de trein naar Leuven. Mijn toekomende woonde toen in Leuven en werkte bij professor Mazy. Ik ging daar naartoe en Blondine belde naar Jeanne Beddegenoodts. Die is het thuis gaan zeggen. Drie mensen van Meensel zijn ons toen komen halen: notaris Mertens, mijn broer August en Maurice, de garde (Vuchelen).  Ze hadden nochtans niet gezegd waar ik was en één uur erna waren die drie mannen van Meensel daar. Die hebben me dan meegebracht naar huis. Ik woog toen al terug 61 kilo, maar ik heb er 48 gewogen in de tijd dat ik dat waterfleuris had. Ik was de eerste die thuis kwam uit de kampen. Zoiets wil ik nooit meer meemaken. Ik wist van die doden, van die kameraden die dood gebleven zijn op allerlei manieren, . De meesten van uitputting en tyfus. Heel ons “geleeg” stond vol met, ik moet niet zeggen weduwen, want ze wisten het nog niet. en ik durfde het hen niet zeggen. Wat er toen in mij omging, dat is niet te beschrijven. Ik durfde niet zeggen dat zij hun man, of hun zoon of hun vader nooit meer zouden wederzien. Ik heb gezegd dat ik sinds 17 oktober niemand meer gezien had. Ik had niet gelogen Alleen had ik dus met Nieuwjaar Marcel Trompet, Jokke Thielens en Remi Morren nog gezien. Dat was alles. Aan de pastoor heb ik het wel gezegd: “Als er nog vijf terugkeren is het veel.” De pastoor antwoordde daarop: ” Maar is dat wel waar? Dat is niet te geloven.” Maar het was waar: er zijn er nog vijf weergekeerd, waarvan er nu nog twee in leven zijn: Frans Trompet en Marcel Loddewijckx.  De anderen zijn veel te vroeg gestorven.

De nasleep

Later hebben ze me naar Leuven geroepen om me te vragen hoe ik bevrijd ben. Toen ik dat vertelde stond er ene recht en die zei: “Ge liegt!” Ik zei hem : “Mijnheer, als gij het beter weet of anders gezien hebt, vertelt gij het dan!”. Ik denk dat die vent een communist was en met de Rus meedeed. Die bij de ontruiming van de kampen nog leefden hebben ze zeker niet gedood, want toen doodden ze niemand meer. De Russen hielden die “bevrijde” gevangen en gingen ermee richting Oosten, naar Siberië. Gratis werkvolk! Dat is mijn gedacht, honderd “procent!” Ik of niemand zal het echter juist weten.

Wat die zaak dan met Merckx betreft: Die is neergeschoten door personen uit Diest. Maar daarom moesten die “zwarten” toch geen wraak nemen op Meensel zeker. De dood van Gaston Merckx is de oorzaak van alles. Remi Merckx, de vader, heeft wraak genomen. Dat waren hier allemaal simpel boerenmensen, buiten onderwijzer Duerinckx en de dokter Goyens. Zelfs de burgemeester boerde wat. Later heeft de Belgische staat die “boerkens” uitgeschakeld en er doppers van gemaakt. De grond ging naar twee, drie dikke boeren.  Vroeger verdienden de mensen allemaal hun broodje in het dorp zelf.

In zo een omstandigheden zoals in de kampen leert men de mensen echt kennen. Ge hebt daar een man zoals Léon Natens. Die heeft daar toch veertien matrakslagen gekregen in de plaats van Jos Mars van Winge. Hij heeft die zelf gevraagd! “Geef ze mij maar, want hij kan dat niet meer uitstaan!” Jos Mars kon inderdaad niet meer, hij was uitgeput en hij kreeg zo een straf opgelegd, die voor hem misschien fataal zou zijn. Wel, Léon had dat gezien en reageerde onmiddellijk: “Als ge ze hem geeft, is hij dood. Geef ze mij maar.” Alleen een brave mens doet zoiets. Zo is daar ook die pater Kolbe geweest in Auschwitz, die ze later heilig verklaard hebben. Hij is daar de dood ingegaan in plaats van een vader met zeven kinderen. Die vader is naar huis kunnen komen. Door die pater was zijn leven gered. Maar Léon, die heeft zoiets toch ook verdiend? Hij is spijtig genoeg daar gestorven. Ik kan het weten: als ge zo een reeks matrakslagen krijgt, dan doet uw kleine teen meer pijn dan uw rug. Ik heb er ook genoeg gehad. De bewakers die klopten er maar op los.  SS-ers zagen we weinig. Maar als die kwamen, dan waren er doden: die schoten liever. Het waren die bewakers die echt wreed waren: Antwerpenaren, Mechelaars, enzovoorts, die waren gevreesd:  eigen volk!!!

Meester Duerinckx

Met meester Duerinckx, die dus op 1 augustus al was opgepakt, ben ik samen naar Neuengamme gevoerd. We hebben een drietal maanden grachten gegraven. Ook hebben we acht dagen tankversperringen moeten maken. We maakten putten van zo een drie à vier meter breed. De Duitsers dachten hun vijanden zo tegen te houden, maar ze zijn er gewoon over gevlogen.

Onderwijzer Duerinckx heeft zich daar heel sterk gehouden.  Hij kon tegen veel. Hij was echt een goed mens. Ik heb nooit van zijn dood iets gehoord. Ze zeggen wel dat hij ziek geworden is en naar het revier gestuurd, maar ik kan niet zeggen waar hij verbleven heeft of naartoe is gegaan. Hoe hij aan zijn einde geraakt is weet ik niet. Ik kan zelfs nu nog niet geloven dat hij dood is of ’t moet van ouderdom zijn. Of anders in Siberië. Eer ze iemand in ’t revier opnamen moest hij al ver weg zijn, dan mocht ge bijna gaan denken: “Hij is eraan.” Meester Duerinckx had daar het meeste moed van allemaal. Ik was er van tijd kwaad op omdat hij ons valse moed gaf . Wij zagen goed genoeg dat aan die oorlog geen einde kwam. “Heb moed, zei hij altijd, met Kerstmis is de oorlog gedaan.” Ik antwoordde dan:” Meester , ge moet ons geen valse moed blijven geven, wat ge zegt is niet waar. Er wordt nu niet meer gevochten, de legers liggen stil. Dat begint in de voortijd opnieuw. In het voorjaar gaat de slag af.”

Ik heb nooit echt kunnen geloven dat hij dood is. Waar is dat konvooi naartoe met die 6.000 man? Er waren daar ook twee Hollanders bij. Die moesten voor of achter mij zijn. Ik heb naar die jongens geschreven en kreeg tijding dat ze vermist waren. Waar zijn die van dat konvooi naartoe? Hebben de Russen die vastgehouden? Dan weet ik dus niet of Duerinckx dood is : ik heb hem niet dood gezien.. Dat is ook nergens beschreven in officiële papieren.

(Nota: in de officiële boeken van het K.Z. Neuengamme staat wel geschreven dat Ferdinand Duerinckx op 18 december 1944 overleden is tengevolge van een hartstilstand. Deze oorzaak staat echter bij vele slachtoffers genoteerd!)

Hoe ik gered werd.   

Ik had dus het “waterfleures” gekregen in Hamburg en werd overgebracht naar het revier in Neuengamme.  Ik kreeg daar na een dag of twee zo een bal in de vouw van mijn been (aan mijn lies): Het was slijm en water. Ze hebben me in slaap gedaan met chloroform en geopereerd. Ik had dus een gapende wonde en die is blijven openstaan want dat vocht moest daar uitkomen. Maar ik had geen verzorging. Ik lag daar ’s morgens lijk een hond die in het stro gepist had. Daar bleef ik natuurlijk niet liggen, ik lag altijd op een andere plaats. Ene die in Neuengamme kon blijven had kans om te “schamperen”. Als men op transport werd gezet was men eraan, geen pardon voor. U op transport zetten dat was richting Dora of Elrich, de moordkampen. Neuengamme was een vagevuur, maar toch nog altijd beter dan een moordkamp.  Ik kon echter die wonde niet openhouden, die groeide toe en als ze toe zou geraken dan moest ik zeker op transport. Ik sliep in die grote stenen blok en ben daar een maand gebleven. Op een avond komt er een jongen bij mij aan. Er stonden zo een vijf à zes rijen britsen en ik sliep helemaal aan de kant van het venster. Op die avond komt dus die jongeman van zo een jaar of twintig bij mij aan. Hoe die mij daar achterin gevonden heeft, daar heb ik geen gedacht van,. Hij had mooi zwart haar, was fijn gekleed in burger en dat bestond daar in feite niet. Die brengt me daar een klein beetje zout, gewoon fijn keukenzout. Ik heb die avond een beetje zout op die wonde gestrooid. Dat brandde natuurlijk. Maar die wonde was ’s morgens terug schoon open. We kregen alle veertien dagen controle en als men goed was : Hup, op transport. Maar die controleur zag die wonde en ik moest niet meegaan. Dat was mijn redding, dat is de oorzaak dat ik hier nu bij u sta.

Ik weet ook niet waarom die jongeman mij dat zout bracht. Zo iemand die mij daar tussen die bedden vindt en zegt: “Vriend, moet gij niet wat zout hebben?” Ik heb toen nog gedacht dat ik gedroomd had. Maar ik had dat zout toch in mijn handen, ik heb het op die wonde gestrooid en die stond ’s morgens schoon open.  Het is toch dank zij dat, dat ik hier nog sta. Het is de eerste keer dat ik dat vertel. Ik heb daar altijd mee gewacht omdat het inderdaad zo ongelooflijk klinkt.

Een reactie plaatsen