Het verhaal van Jean Pypen

Wij hebben nog heel wat getuigenissen opgenomen. Nu is het tijd om elk (van de meestal overleden) getuigen hun verhaal te publiceren. Regelmatig laten wij dan ooggetuigen en slachtoffers aan het woord. Deze maal is het Jean Pypen, die op 13 februari 1989 overleed. Zijn verhaal werd aangevuld met de hulp van zijn echtgenote Sidonie Lemmens en dochter Maria. Jean was landbouwer en later gemeenteraadslid te Meensel-Kiezegem en werd meegenomen op 11 augustus. In zijn hoeve te Kiezegem kwamen gewapende collaborateurs hem oppakken. Na vele folteringen keerde hij uit Leuven terug. Naast Maria (toen 16 jaar), de oudste en koerierster bij de weerstand hadden Jean en Sidonie nog als kinderen: Josée(14), Agnes(13), Roger(12), Godelieve(8), en Gregoire(2).

Bijna alle dagen kwamen hier vreemden van de weerstand eten halen.  De echte weerstanders uit Meensel-Kiezegem die ik kende waren: die twee van Dielekens (Maurice en Mil Vuchelen), die twee jongsten van Fons Natens (Prosper en Octaaf), Jul Tops (Cauwbergs) en ook Dolf van Schoenmakers (Hendrickx), die op de ravitaillering zat.  Die laatste was wel resoluut en klapte soms te veel en te vrank.  Die weerstanders deden wat aan sabotage, zegels pikken, koolzaad afdoen of in brand steken.

Ik heb ook wel eens gehoord dat ze een tram deden ontsporen, maar meer weet ik daar ook niet van.Wat de ‘zwarten’ hier betreft: die van  Broos waren niet zo erg als die van Merckx.  Die mannen van Rumme (Remi Merckx) die liepen in zwart uniform rond.

Over De Aanslag Op Gaston Merckx

Wij waren op die zondag in het dorp in Meensel.  Het was voetbal en als wij het vernamen van die aanslag hebben wij de wedstrijd doen stoppen.  Wij waren toen aan het lokaal-herberg bij Duerinckx en we vernamen wat er op het Boekhout gebeurd was.  Wij wisten direct wat de gevolgen konden zijn.

Wij hadden ook enige tijd ervoor die drie (weerstanders) voorbij zien fietsen.  We zegden toen nog tegen mekaar: ‘Wat voor vieze mannen zijn dat?’  Een tijd later vernamen we dan dat Gaston Merckx doodgeschoten was.  Wij legden direkt het verband.  Eerst dachten wij nog dat die drie gewoon naar Attenrode kermis  reden.  Ons Sidonie heeft een beetje later die drie fietsers ook gezien.

Sidonie LEMMENS:  Het waren twee jongens en een meisje en die waren zowat ‘flodder’-speciaal gekleed.  Ze stopten nog aan een ‘kreemkar’.  Als ik naar onze kinderen geluisterd had, dan hadden wij aan dat karretje ook een kreem gekocht.  Maar ik zei tegen ons mannekes: ‘We gaan naar de kermis in Attenrode en zullen daar kreem eten’.  Daardoor kwam het dat wij al weg waren als die drie daar stopten.  Naar het schijnt hebben die boven op het Boekhout aan Gaston Merckx zijn pas gevraagd en die liet zijn pas niet zien, maar trok zijn revolver.  Hij schoot en zijn revolver ging niet af.  Hij liep toen achteruit naar de korenmantels.  Dat meisje zou nog geroepen hebben: ‘Laat hem lopen’. Degene die ging schieten antwoordde: ‘Hij is veel te frank. Hij moet dood!’  Dan heeft hij naar het schijnt (zo heeft Jakke, één van de hoeveknechten die erbij was, gezegd ) zijn portefeuille en zijn revolver afgenomen en zijn die drie verder Binkom ingereden.  Toen de moeder van Merckx bij het lijk kwam heeft ze direct honderd gijzelaars gevraagd.

Over De Razzias

Op één augustus is hier niets geweest, alleen in Meensel.  De elfde augustus waren ze overal.  ’s Morgens om vijf uur gingen ze met Dolf Tummer (Timmermans) al voorbij.  Ik ging onze Jef en Denis verwittigen (die hadden zich in de stallen verstopt), maar  ze kwamen al het geleeg op en daarmee waren wij er direct aan.  De mannen die ons oppikten waren onbekenden aan het dorp, maar geen Duitsers.  Daar waren er wel een deel in het zwart en ze waren allemaal wel gewapend.  Eerst gingen ze met ons naar ’t jongensschool naast het gemeentehuis op de grens van Meensel en Kiezegem.  Toen wij daar aankwamen zegden ze ons: ‘Ah, de heren Pijpen, dat had ge niet verwacht eh?’  Toen zetten ze mij en onze Jef in een hoek onder de gaanderij.  Daar stond er ene met een mitraljet die Jefke van Wittemans bewaakte.  Er kwam een gemaskerde af en die liet Jefke naar huis gaan.  Ze dachten dat ze Jos Wittemans hadden.  Janssens, een gekende collaborateur, was zeker bij die zwarten maar dat die Faignaert daarbij was, weet ik niet meer.  Later zijn we van in de school te voet naar Meensel gejaagd.  Daar heb ik dan Faignaert wel gezien.  Er waren er in de gemeenteschool al een deel gelost: Enkele mannen van Onze-Lieve-Vrouw-Tielt onder andere. Daar hebben we geen slaag gehad.  In Meensel hebben ze ons ook niet bezien.  Wij zijn ook niet voor die mannen moeten komen die knikten of iemand wit was of niet.  Er lag wel een hoop wapens op die speelplaats en ook handgranaten.  Ik weet niet vanwaar die kwamen, maar Maurice en Mil van Dielekens (Vuchelen) die  zullen dat wel geweten hebben

Sidonie LEMMENS: Onze Roger,een neef van 18 jaar, sliep die nacht voor de eerste keer binnen in huis. Andere nachten sliepen al die jongeren verstopt in schuren of stallen.  Hij had een bronchitis gehad en wij vonden het beter dat hij daarmee in huis bleef. Het is zijn ongeluk geworden. Wie verwachtte nog een razzia.

Maria PYPEN: Onze pa was bij het verzet en bij ons kwamen soms de withemden, zoals wij zegden, om te vergaderen. Maar ook weer niet zo dikwijls omdat er bij ons veel kinderen waren. Daarom gingen ze dan meestal elders vergaderen. Die morgen, dat de zwarthemden bij ons aangekomen zijn, was ik de koeien aan het melken. Ze hebben papa meegenomen en ons mama zei: ‘Maria, spoeit u, ga lopen’.  Ze zouden mij misschien ook opgepakt hebben, alhoewel ze niet wisten dat ik koerierster was. Ik moest brieven wegdragen, naar Onze-Lieve-Vrouw-Tielt onder andere.  Vooral naar familie van ons: Roger en  Leo Pypen, zonen van papa zijn broer. De mannen van Martha (Petrus en Jef Pittomvils-grootmoeder van Eddy Merckx) zaten daar ook bij en ook Gust Pypen. Ikzelf ben toen na  die inval van de zwarten weggelopen. Onder de straat lopen buizen van de riolering en daar ben ik  ingekropen en er een halve dag blijven inzitten.  Meer weet ik dus ook niet over die dag.

Over Zijn Gevangenschap.

In Leuven belandde ik in het groot prison.  Halfoogst of de dag ervoor zijn die andere mannen van ’t dorp weggebracht naar Brussel.  Er werd gesorteerd wie er mocht blijven en daar waren wij bij:  Ik en Jos Pypen, de zoon van mijn broer Herman, Disse (Desiré Vuerinckx), Achiel van Kwadepoort (Veugelen) en Jul Pit (Pittomvils).  Het verhoor gebeurde in het huis van notaris De Rooman.  Daar zat Broos een sigaar te smoren.  Eén van die mannen van Rumme (Remi Merckx), Marcel, stampte daar het vel van hier tot daar van mijn been af.  Even later zijn we verhoord.  Den Disse (Vuerinckx) en ik gingen gelijk.  Ik heb toen gedacht dat ze Sperre (Prosper Janssens) terug zouden gaan oppikken.  Die was nog maar juist terug uit Breendonk en bij hem was de eerste vergadering gehouden. Om die te gaan  halen hebben ze toen de kans niet meer gehad.

Toen het mijn beurt was zag ik den Disse (Vuerinckx) in een hoek liggen, lijk een hond die bijna doodgeslagen was.  Die heeft, zoals ik, enorm veel slaag gekregen.  Ik heb direct aan die zwarten gezegd: “Sla me dood, ik weet niks!”  Ze sloegen met vier zware matrakken en met een karwats.  Ook met de afgebroken leuning van een stoel.  Op die stoel moesten wij liggen en als ge er niet goed oplag, stampten ze u er  terug op.  Daar was toen ook Marcel Merckx bij en andere  zwarten.  Duitsers niet.  Die mannen stelden maar vragen en wilden alles van de weerstand weten.  Ze wilden dat wij namen noemden.  Ik herhaalde altijd maar: ‘Ik weet niets.  Sla me dood dan ben ik van de wereld af.  Hoe eerder, hoe liever.’

Achter in de hof hebben ze nog rond mijn hoofd geschoten.  Dat deden ze bij Jos Pypen ook. Later werd ook Jul Pittomvils gehaald om te overhoren.  Louis Daenen van Meensel en die jongens van de Muggenberg zaten daar ook In ’t prison hebben we nog geacht op Jul. Ik heb gezegd: ‘Ge gaat zien, die hebben ze juist zoals bij mij, kapot geslagen’

Om acht uur ’s avonds kwam Jul terug en zei:”’t Is gedaan jongens, voor het aan mij was, waren ze al komen zeggen dat die zwarten hun pakken moesten maken en toen hebben ze ons snel terug naar hier gebracht.”  De oorlog was voor ons gedaan, afgelopen en Jul had gelukkig geen slaag gehad.

Over Zijn Terugkeer

’s Nachts rond 12 uur hebben ze ons allemaal bijeen gezet in de gang.  Ze hebben ons per camion naar Sint-Gillis gevoerd en daar zegden ze dat we niet meer binnen mochten, dat iedereen er al weg was: de laatste trein was geladen.  Een zwarte zei daar nog: “Voert ze dan naar Beverlo.”  Dat wilden ze niet en we zijn weer naar Leuven gereden. Daar bleven we nog één of twee dagen. Dan zijn we met een politiecommissaris van Tienen, die daar ook vastzat, naar de directeur gegaan om te reclameren.  Ze hebben ons dan cel per cel gelost.

We moesten, om veilig terug te keren, nog over de muur van ’t Leuvens kerkhof, dat aan de andere kant van de weg aan het  prison was, kruipen en zo de velden inlopen.  Vandaar ging het dan achter het station van Leuven door.  Dan zijn we, vooral binnendoor, te voet afgekomen.  We moesten dat wel doen want de Duitsers waren overal aan het vluchten.  Wie was er toen bij mij? Jules Pit (Pittomvils), den Dizze (Vuerinckx), Jos Pypen, Chil van Kwadepoort (Achilles Veugelen), Louis Daenen en Vuchelen.

De zwarten hebben ons daar, toen we gevangen zaten, al die tijd maar vragen gesteld over de weerstand.  Nooit heeft iemand gevraagd wie Gaston Merckx heeft doodgeschoten.  Duitsers lieten ons meer gerust, die waren veel beter dan de zwarten.  Daar was een Duitser die mij elke dag een emmer water bracht.  Die bij mij zaten moesten mijn kleren uitdoen en me helemaal wassen met koud water.  Dat deed goed!

In Kiezegem heeft ene van ‘Rumme’ (Remi Merckx)  bij Békke (Roskin, een herberg in ’t dorp) gezegd: ‘Ge moest Jean eens zien zitten in Leuven, die heeft ervan gehad!!!vZe gaan hem zeker naar de zoutmijnen sturen.’  Tegen mij had die in Leuven ook gezegd dat ik Kiezegem nooit meer zou weerzien, dat ik zeker de zoutmijnen zou ingaan.

Sidonie LEMMENS:  Toen onze Jean terug was van Leuven in september heb ik hem nog zes maanden moeten recht trekken.  Hij kon niet alleen recht.  Hij is nog twee jaar moeten naar Leuven gaan voor speciale behandeling. Broos is Jean bij zijn terugkeer uit Leuven nog komen proficiat wensen.  Onze Jean heeft toen niks gezegd, die kon niet, die was bijna dood.  Toen heeft die Broos geluk gehad.

Een reactie plaatsen